Afkortingen

  • APSN: atypical placental site nodule
  • ETT: epithelioid trophoblastic tumor
  • PSTT: placental site trophoblastic tumor

Algemeen

Bij APSN is er in 10-15% van de gevallen sprake van ETT of PSTT. Daarom is nadere diagnostiek (echo, MRI bekken, biopt) geïndiceerd. Behandeling en follow up via de gynaecoloog.

Bij ETT en PSTT is er een normaal of relatief licht verhoogd β-hCG ten opzichte van de tumorload. Neem een biopt en verwijs patiënt bij bevestiging van de diagnose naar afdeling Medische oncologie van het Radboudumc.

Verder uit te voeren diagnostiek: 

  • CT thorax - abdomen
  • MRI cerebrum

Stadiëring voor ETT / PSTT

De FIGO 2000 risicoclassificatie voor GTN is niet van toepassing. 

De behandeling wordt bepaald aan de hand van het anatomische FIGO 2000 stadium (onderstaande tabel) in combinatie met het interval sinds de laatste zwangerschap.

Stadium Omschrijving
I GTN strikt beperkt tot de baarmoeder
II GTN uitgebreid naar de adnexa of de vagina, maar beperkt tot de geslachtsorganen
III GTN uitgebreid naar de longen, met of zonder betrokkenheid van de geslachtsorganen
IV Alle overige gemetastaseerde lokaties

Behandeling

Voor het behandelbeleid wordt verwezen naar figuur A7 van de publicatie van Lok et al., Journal of Clinical Oncology, volume 43, number 18, 2119-2128 (2025).

Follow up

Stadium I en <48 maanden interval sinds vorige zwangerschap:

  • Onderzoeken:
    • Lichamelijk onderzoek
    • β-hCG of andere biomarker, indien voor behandeling aanwezig
    • Geen beeldvorming
  • Frequentie:
    • Eerste 6 weken: wekelijks
    • Volgende 12 maanden: maandelijks
    • Volgende 5-10 jaar: interval tussen controles uitbreiden, i.o.m. patiënt

Alle andere stadia:

  • Conform follow up stadium I met daarnaast beeldvorming 
  • Beeldvorming: 
    • CT thorax - abdomen
    • MRI cerebrum (op indicatie)
  • Frequentie beeldvorming:
    • Eerste 2 jaar: elke 6 maanden
    • Volgende 5 jaar: jaarlijks